17 september 2019

ROERIGE TIJDEN

Dit is een paragraaf. Klik hier om je eigen tekst toe te voegen.

12.05.2021

ONDERWIJSKENNIS, HOE HOUD IK ALLES BIJ

EN MOET IK DAT WEL PROBEREN?

Voor wie gepensioneerd is of langdurig ziek, in ieder geval voor wie over veel tijd beschikt, kan het onderwijs een mooie vorm van tijdsbesteding zijn. Je kunt je expertise goed bijhouden en zelfs fors uitbreiden, want je wordt verwend met een overvloed aan materiaal en heel, heel veel pagina’s met rijp en groen. Zo zorgt de Onderwijsraad rond de 6 keer per jaar voor een lijvig rapport over uiteenlopende onderwerpen. Dan is er jaarlijks de Staat van het Onderwijs van de Inspectie die veel inzicht geeft in hoe het allemaal gaat. Ook het Centraal Planbureau, de Inspectie der Rijksfinanciën, en McKinsey laten met enige regelmaat van zich horen en natuurlijk blijven PO raad en VO raad niet achter. Af en toe komt dan ook nog iets onverwachts langs zoals het Nationaal Programma Onderwijs. Internationaal kun je je vermaken met veel en dikke publicaties van TIMMS en PISA, en niet te vergeten het lijvige ‘Education at a Glance’ van de OESO. Is je honger nog niet gestild, dan zijn er nog allerlei dissertaties en onderzoeksrapporten, blogs en nieuwsbrieven van clubs zoals Oberon, Sardes, Kohnstamm Instituut en ook Vinci. En als je meer wil weten van een specifiek thema, zoals het lerarentekort, en je dat woord even intikt op je zoekmachine, dan kom je terecht in een orgie van actieplannen.

 

Uit alle hoeken en gaten komt informatie binnen die meestal beoogt een bijdrage te leveren aan beter onderwijs in de toekomst. Het is wel jammer dat het voor de mensen die in het onderwijs werken niet te doen is om die vloed van informatie bij te houden, tenzij ze hun nachtrust, vrije weekends en vakanties gebruiken om even bij te lezen. Maar wie heeft daar nou zin in?

De vraag is natuurlijk of het nodig is om je af te beulen om al die kennisontwikkeling bij te houden. Eigenlijk is dat vrij zinloos.

De Onderwijsinspectie vertelt ons al jaren dat de staat van het onderwijs zorgelijk is. Te weinig leerlingen basisonderwijs halen de streefniveaus schrijven en rekenen. De leesvaardigheid is slecht. De achterstanden naar sociaal milieu lopen op. De resultaten natuuronderwijs zijn niet goed. En ga zo maar door. Maar behalve een zogeheten leesoffensief dat niet meer is dan een klein plofje in een zee van problemen, gebeurt er niet veel. Helaas Inspectie, goed geprobeerd en ga zo door. Af en toe wordt er wel veel geld richting onderwijs gegooid, bijv. om de werkdruk aan te pakken of om het lerarentekort te verkleinen. Dat blijkt doorgaans geen zoden aan de dijk te zetten. Meestal wordt ook nooit helder waar al dat geld blijft en of het aan iets zinnigs wordt uitgegeven. De meeste publicaties kunnen na lezen net zo makkelijk weer worden vergeten, op een enkel leuk citaatje of grafiekje na.  Er gebeurt toch niets mee.

 

De Onderwijsraad heeft dit goed begrepen. Ze komt tegenwoordig met voorstellen waarvan ze bij voorbaat weet dat er jaren over gaat worden gediscussieerd, dat ze hoogstwaarschijnlijk niet worden ingevoerd, en dat ze, als ze worden ingevoerd, niets verbeteren. Het voorstel over de 3-jarige brugperiode is een sprekend voorbeeld.

Mijn advies aan wie niet over overdadig veel vrije tijd beschikt en niet bang is zich te vervelen is daarom om al die publicaties maar zeer sober te consumeren. Als je lesgeeft, besteed je tijd maar aan wat goed is voor de kinderen. Als je onderzoek doet, hou dan vooral je vak goed bij, en als je per ongeluk in het beleid verzeild bent geraakt, probeer dan te redden wat er te redden valt. Zo wordt de wereld dan toch nog een ietsjepietsje beter. 

 

 
 
 
 
 
 

13.04.2021

DE JACHT IS GEOPEND;

OP DE SCHOOLBESTUREN

Het zat er al enige tijd aan te komen. De aanzwellende kritiek op de schoolbesturen moest natuurlijk een keer worden verwerkt in avontuurlijke actie. Vorig jaar klonk het hoorngeschal dat de jacht aankondigde, toen de Inspectie der Rijksfinanciën en McKinsey – echt gevaar komt altijd van buiten de sector - de tegenvallende resultaten van het onderwijs in verband brachten met het werk van de schoolbesturen. Dat gebeurde nog in bedekte termen. Maar begin 2021 werd de jacht echt geopend. De NRC en de Volkskrant zijn altijd wel bereid om voor jachthond te spelen en columnisten en bloggers zijn er ook niet vies van. En dan wordt het moeilijk ontsnappen voor de prooi. Als je beweegt word je gepakt en als je niet beweegt, vinden ze je ook wel. 

Niet dat we nu veel medelijden moeten hebben met de schoolbesturen. Ze wordt gepakt op een aantal zwakke punten. Nogal wat bestuurders hebben zich wel erg fraaie arbeidsvoorwaarden verschaft. Vermanende brieven van bewindslieden legde men vrolijk naast zich neer. Soms zie je dat bij een college van bestuur van 3 personen er twee vertrekken of worden weggewerkt en dat de derde het hele pensum werk doet van alle drie voor ‘slechts’ een dubbele beloning. Dat schijnt zomaar te kunnen. Ook het ontbreken van interesse in de kwaliteit van het onderwijs en het najagen van allerlei hippe constructen zoals het persoonlijk leren valt niet in goede aarde. Zeker niet nu ons onderwijs in de internationale concoursen steeds meer terrein verliest. Maar het ergst vergrijp is de lump sum. Schoolbesturen krijgen een vrij besteedbaar budget. Als ze iets extra’s krijgen voor een politieke prioriteit, bijv. het bestrijden van onderwijsachterstanden in de vroegschool, zijn ze vrij om dat niet aan die prioriteit te besteden. Ze mogen er ook iets anders mee doen, zelfs het eigen salaris nog iets verder ophogen. Dit voorrecht is hun toegekend door onze overheid, dus eigenlijk mag je de schoolbestuurders niet verwijten dat ze een verkregen voorrecht materialiseren. Maar op termijn geeft dit natuurlijk scheve gezichten en gefrustreerde politici. Inmiddels ruist door het land dat er een meerderheid in de Tweede Kamer is die de lump sum wil afschaffen. 

Het is de vraag of de jacht op de schoolbesturen al eindigt met het opheffen van de lump sum. Van Haperen pleitte onlangs voor het geheel afschaffen van de schoolbesturen en het beperken van het onderwijsgebeuren beperken tot scholen en de overheid. Dat gaat wel erg ver. Maar een verregaande regulering met maximalisering van de salariëring en een dwingende verantwoordingsplicht zal wel een minimum effect van de jacht zijn. Hoe dan ook, Barbertje moet hangen. Dat is duidelijk. 

17.03.2021

ONDERWIJS GESCHROKKEN VANWEGE TE VEEL GELD

Het was wel een schok, dat bericht over het Nationaal Programma Onderwijs, met als ondertitel ‘Steunprogramma voor herstel en perspectief’. De schok werd niet zozeer veroorzaakt door deze titel, maar door het bedrag dat ermee gemoeid was. Het bleek te gaan om niet minder dan 8,5 miljard, waarvan bijna 6 miljard voor het primair en voortgezet onderwijs. Als zo’n bedrag beschikbaar was gesteld voor de landbouw of het midden- en klein bedrijf, laat staan voor de zorg, dan hadden we maandenlang gejuich gehoord. De wegen waren verstopt geraakt door de boerentrekkers met grote bloemenkransen, de pleinen zouden zijn overlopen door bierdrinkende middenstanders, en je was doof geworden van het uitbundige gezang van verplegend personeel en artsen. Maar wat was de reactie vanuit het onderwijs? Een oorverdovende stilte gevuld met redelijk wat azijnpisserij.

Wat is de essentie van de zure reacties? Het gaat voornamelijk om twee punten. Het eerste is dat de financiële injectie bedoeld is voor een periode van zo’n 2,5 jaar. Daarna doemt voor veel commentatoren een groot zwart gat op. Men had liever een garantie gehad voor de eeuwigheid. Dat is misschien wel een begrijpelijke reactie voor een sector waar je meestal kunt rekenen op een baan voor het leven, waar je gewend bent van huis naar school en terug te reizen en alleen in de vakantie iets van de wijde wereld ziet. Waarbij je geen risico loopt op juridische complicaties of een faillissement of wanbetaling, en je de hele dag je gang kunt gaan zonder even te kijken of je werk wel aansluit bij recente wetenschappelijke inzichten. Je mag of moet wel hard werken, maar het is een risicovrij bestaan, met vaste tijden en leuke vakanties. Zo’n angstige houding is niettemin zorgwekkend. Ik zou zeggen, ga nu aan de slag, maak er iets van, zorg dat de op alle fronten tanende kwaliteit van het onderwijs verbetert. Dan heb je straks een heel sterke positie om geld op te eisen voor een lange periode.

Het tweede punt is dat men twijfelt of die 8,5 miljard wel iets oplevert en tot verbetering van het onderwijs leidt. Dan breekt me toch echt de klomp, om het even agrarisch te houden. Als je met 8,5 miljard geen zinnige dingen kunt doen, dan weet ik het ook niet meer. Natuurlijk zou er meer moeten gebeuren. De machtspositie van schoolbesturen moet worden beknot, de lump sum moet worden afgeschaft, de vrijheid om allerlei onzinnige experimenten te beginnen moet worden beperkt, en ga zo maar door. En er zijn allerlei signalen dat dit ook wel gaat gebeuren. Maar wat we ook weten is dat een hoop geld ergens tegenaan gooien volgens alle economische analyses en handboeken altijd en overal tot verbetering leidt. Nog op 3 maart jl. verscheen er een metastudie van Kirabo Jackson die laat zien dat substantieel meer uitgaven per leerling leiden tot grote verbeteringen in leerlingprestaties. Het is toch ook niet zo moeilijk te begrijpen. Met een flinke investering kun je van een gammel kippenhok altijd wel een aardig schuurtje maken. 

Misschien was de kritiek minder geweest als het stuk beter was gelezen. Er staan bijvoorbeeld al veel doorkijkjes in naar de middellange termijn. Het geld moet evidence based worden besteed, op basis van een menukaart die wordt ontwikkeld. En een oude wens om leerkrachten in scholen met veel achterstanden meer te betalen, wordt mogelijk gemaakt. Maar merkwaardig genoeg heeft niemand het hierover. Een notitie lezen van wel 25 pagina’s is natuurlijk wel veel gevraagd voor onze onderwijsexperts. Maar zeur dan ook niet zo. 

Tot slot van deze litanie. Het Nationaal Programma is goed opgezet, hoe verbazingwekkend dat ook is.  Ik had het zelf zo kunnen schrijven, zegt Leonardo.  Het is een compliment voor een goed stuk werk. Hopelijk dringt dat ook alsnog in het onderwijsveld door. 

 

10.02.2021

DE OUDE BEER

EN HET ROEDEL TRENDWOLVEN

Het jaar 2021 is spannend begonnen voor wie belangstelling heeft voor onderwijs. Zo hebben de dames van Didactief van het 50-jarig bestaan van dit onmisbare blad een echt inhoudelijk feest gemaakt. Ze lopen nu wat afgemat en bleek rond na al het harde werk, maar het was de moeite waard. Ga zo nog vele  jaren door. 

Maar heel mooi is ook de tegenstelling in onderwijsvisies die spreekt uit een interview met Paul Jungbluth (de oude beer en dat is als compliment bedoeld) in ‘De publieke tribune’ van 24 januari en een manifest van 50 schoolbestuurders (het roedel trendwolven) die een dikke middelvinger opsteken naar de PO-raad, de minister en de onderwijswetgeving. Het artikel van de oude beer trok op het onderwijshoekje in de sociale media redelijk veel aandacht, want het is daar bekend: van oude beren kun je veel leren. De oude beer hekelt  het gebrek aan professionaliteit in het onderwijs en vergelijkt de leerkracht met de huisarts: 

Een halve eeuw geleden mochten zij nog allemaal hun persoonlijke voorkeuren leidend laten zijn in de behandeling van patiënten. De een keek in de urine, de ander voelde aan je en weer een ander wilde graag een verhaal horen. Huisartsen zijn in de loop der jaren allemaal gedwongen om te kiezen voor een vrijwel gelijk recept bij gelijke klachten. Die hebben dus protocollen moeten leren uit een protocollenboek met bewezen effectieve remedies.

Leerkrachten vinden een dergelijke professionalisering volgens de oude beer ontstellend onsympathiek, want de leerkracht zelf komt dan minder aan bod. Die werkt juist op zijn of haar gevoel, vindt die leerling leuk of spannend of stoort zich juist aan hem of haar. Wij kennen de leerkracht een autonomie toe die volgens Paul niet hoort bij wat een leerkracht zou moeten doen.

Deze door de oude beer gefileerde onderwijsvisie wordt juist op de troon gehesen door 50 schoolbestuurders, die zich verbinden aan een manifest dat hoe dan ook oproept tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Voor wie deze arrogantie niet kan plaatsen: schoolbestuurders denken in Nederland vaak boven de wet te staan. Zelfs Rijkswaterstaat is zich minder autonoom. Twee citaten uit het manifest:

Wij als schoolbestuurders verplichten onze scholen daarom niet langer om de toetsen (waaronder óók de eindtoets) af te nemen en roepen collega-besturen op om dit ook niet meer te doen. Of en hoe leraren nu toetsen inzetten, is hun eigen professionele afweging, waarbij de noodzakelijkheid ten behoeve van de ondersteuning van de ontwikkeling van de leerling het enige doel mag zijn.

en 

Daarom willen we het accent verleggen naar leraren die volledig vertrouwen en regie krijgen en nemen voor de uitvoering van hun professie. Voor het creëren van gelijke kansen is verschil kunnen maken noodzakelijk en daarin past geen vast toetsrooster. Daar hoort bij dat zij vanuit hun professionele inzicht kunnen doen wat nodig is om kinderen goed te kunnen ondersteunen in hun leerproces, kunnen toetsen wat en wanneer dat nodig is.

De controverse komt hier ongekend helder naar voren tussen een visie op onderwijs als een wetenschappelijk gefundeerde discipline met een kern van protocollen en richtlijnen, en een trendy visie van onderwijs als een vorm van kunst, met een autonome leerkracht als spil. Een kleine kanttekening: natuurlijk moet de autonome leerkracht wel de instructies van het bestuur volgen. Dus als dit haar verplicht gepersonaliseerd onderwijs in te voeren op een achterstandenschool, moet zij dat maar slikken, hoe zwaar dit haar ook valt. 

Waar ligt hier het gelijk. Het is geen 100% gelijk/ongelijk verhaal. Het werken met evidence based protocollen is geen waarborg dat alles altijd goed loopt. Het verkleint vooral de kans op ernstige uitwassen en blunders. Ik schat de slaag/faal-verhouding hier op 80:20. En een briljante autonome leerkracht met een gouden intuïtie kan een zegen zijn voor de kinderen. Maar een luie prutser kan ook veel schade aanrichten. En hoewel we altijd net doen of alle leerkrachten tot de eerste categorie behoren, is dat natuurlijk onzin. Ik schat hier de slaag/faal verhouding op 40:60. Maar u bent vrij om zelf een schatting te maken alvorens partij te kiezen.

Maar partij kiezen, daar ontkomt u niet aan. Want de uitkomst van deze controverse is bepalend voor de toekomst van het onderwijs. De kans dat de oude beer het straks wint van het roedel is overigens niet denkbeeldig. In Engeland wint het evidence based denken veel terrein door het prachtige werk van de Education Endowment Foundation. En in de VS wordt de stem van Robert Slavin steeds luider gehoord. Maar bij ons ‘is de strijd nog niet beslist’ om een standaardzin uit  ‘de slimste mens’ er in te gooien.

U mag best weten dat Leonardo inmiddels zijn positie heeft bepaald. Hij gaat naast de oude beer staan. Twee oude beren, altijd moeilijk te passeren. 

02.12.2020

IS HET LEESOFFENSIEF

WEL EEN LEESOFFENSIEF?

Ze kwamen hard aan, de PIRSL- en PISA-rapporten waarin bleek dat de leesmotivatie van kinderen in Nederland de bodem heeft bereikt en dat 24% van onze 15-jarigen onvoldoende geletterd is. De Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad namen de handschoen op en pleitten in 2019 voor wat ze noemden 'een leesoffensief'. De bewindslieden van OCW reageerden eind 2019 hierop met een beleidsnota waarin een leesoffensief in gang werd gezet. En in oktober van dit jaar informeerden ze het land over de stand van zaken van dit offensief. Tot zover allemaal prachtig. Een probleem wordt geconstateerd, een advies wordt gegeven, en er wordt door het beleid snel en adequaat gereageerd. Ho, even ademhalen. Adequaat???? Laten we het leesoffensief even onder de loep nemen.

Allereerst, het woord offensief. Dat betekent in militaire termen dat een partij in een conflict het initiatief probeert over te nemen. Dat gebeurt bij een offensief over een breed front en met inzet van zware middelen. Denk aan het offensief van Napoleon tegen Rusland of van de Amerikanen tegen Irak. Een offensief is heel iets anders dan een verkenning of zomaar een aanval. Het stelt echt iets voor. Hoe zit dat met het leesoffensief van Slob en van Engelshoven?

 

We kunnen de maatregelen in het leesoffensief in drie categorieën verdelen: 

  1. Bureaucratisch gesleutel: er wordt in het curriculum meer aandacht besteed aan lezen en leesmotivatie. Er wordt gekeken hoe een website over lezen in het mbo kan worden verbeterd. De minister gaat in gesprek met verschillende partijen. Etc. 

  2. Oproep tot samenwerken: er wordt gezocht naar meer samenwerking en samenhang: cultuur en onderwijs moeten elkaar weten te vinden, wordt er gesteld. 

  3. Het morele vingertje: bibliotheken worden gewezen op hun verantwoordelijkheden.

  4. Vragen om meer jeugdliteratuur: meer verscheidenheid in jeugdboeken.

 

In het stand-van-zakenrapport zien we wat er allemaal gebeurt op deze thema’s. En ja, er wordt in papieren over het curriculum meer tekst gegenereerd over lezen en leesvaardigheid. Organisaties die elk toch al geen deuken in pakjes boter konden slaan, gaan dit nu samen proberen. Er komt zelfs een kennistafel effectief leesonderwijs. De bibliotheken gaan stevig inzetten op leesplezier. Natuurlijk voor zover ze niet worden getroffen door de golf gemeentelijke bezuinigingen die we op dit moment zien. De actielijn jeugdboeken komen we niet meer tegen, maar er zal ongetwijfeld wat subsidie gaan naar schrijvers die een leuk jeugdboek met veel diversiteit produceren. 

 

Wel wordt er uitvoerig ingegaan op activiteiten die ook zonder dit leesoffensief al liepen. Af en toe wordt het echt cynisch. Zo wordt de VoorleesExpress genoemd die al jaren zijn werk doet zonder noemenswaardige steun van de Rijksoverheid. En het Tel-Mee-met-Taal-programma dat al een tijdje bezig was vóór het offensief in zicht kwam. 

 

En voor zover de lezer dit niet heeft opgemerkt: er ontbreekt in de stukken over het leesoffensief een belangrijk onderdeel dat we altijd zien als het om enigszins serieus beleid gaat. Er is geen financiële paragraaf opgenomen. Met andere woorden, het mag allemaal geen cent kosten. Het is zoiets als Napoleon die Rusland binnenvalt met een stelletje marketentsters of de Amerikanen die een big band inzetten om de Irakezen met de kopersectie angst aan te jagen. Het is van alles, maar geen offensief. 

04.11.2020

DE ONDERWIJSVERNIEUWING

IS AAN VERNIEUWING TOE

Nederland was lange tijd een paradijs voor onderwijsvernieuwers. Ze waren met velen, ze hadden de sympathie van de media, en ze werden vaak gesteund door partijen met commerciële belangen bij de vernieuwing, zoals destijds de Landelijke Pedagogische Centra. Het ‘nieuwe leren’ werd rond 2010 door verenigde inspanningen van de wetenschappers nog aan banden gelegd, maar net als bij het coronavirus ontstonden er allerlei varianten die nog steeds voortwoekeren, onder nieuwe namen zoals gepersonaliseerd leren, onderzoekend leren etc. Ook kritiek van de commissie Dijsselbloem kon de trend tot dit soort vernieuwingen niet keren. Pas toen, mede gevoed door een lange reeks van negatieve evaluaties, de inspectie zich in haar verslag over 2019 erg kritisch uitliet over veel  vernieuwingen, volgde een serie van aanvallen in de pers op de vernieuwingsdrang. En toen kwam corona dat ook weer een soort vernieuwing opleverde waarvan we de resultaten nog moeten afwachten. Maar met andere vernieuwingen heeft deze gemeen dat weer de kinderen in achterstandsituaties de dupe zijn. 

Toch is het merkwaardig dat veel vernieuwingen in Nederland nogal zijn gedegenereerd. Want op zich is het natuurlijk goed om te proberen je sector te verbeteren en te vernieuwen. In andere sectoren gebeurt dit ook, vaak gedreven door technologische ontwikkelingen. Hoewel we die in het onderwijs ontberen, krijgen we toch met enige regelmaat nieuwe inzichten uit onderzoek die de basis voor vernieuwing zouden kunnen vormen. Denk aan tutoring, om een onaantastbaar voorbeeld te noemen. Maar aan dit front blijft het stil.

Waar gaat het mis met de onderwijsvernieuwing in Nederland. Veel vernieuwingen in Nederland gaan mank aan minstens drie ernstige systeemfouten, waarmee ze eerder een gevaar voor de kwaliteit van het onderwijs inhouden dan een venster op verbetering bieden.

Allereerst zijn vernieuwingen bij ons zelden gericht op verbeteringen in basisvaardigheden, zoals taal en rekenen. Ze willen vooral de kinderen bevrijden van het juk van het traditionele onderwijs. Kinderen moeten hun zelfstandigheid kunnen vieren, ze moeten zich topje voelen op school, ze moeten zich kunnen ontplooien. Het onderwijs moet vooral kindgericht zijn, zodat de kinderen happy zijn. Dat is een merkwaardige invalshoek omdat alle onderzoeken, dit jaar nog de UNESCO-rapporten en het PISA-onderzoek, laten zien dat onze kinderen het heel, maar dan ook heel erg fijn vinden op die verschrikkelijke scholen. Daar is alleen nog marginale ruimte voor verbetering. Hier vechten vernieuwers dus voor het oplossen van een probleem dat helemaal niet bestaat. Het enige heikele punt is dat vooral meisjes een beetje last hebben van stress vanwege het onderwijs. Maar laten we dat vooral zo houden.

 

Ten tweede verliezen de vernieuwers, en de autoriteiten die de vernieuwers hun gang laten gaan, de belangen van de kinderen uit het oog. Je zult maar ongewild en ongevraagd het slachtoffers zijn van zo’n school waar gepersonaliseerd leren hoogtij viert, en je jaren achterstand oploopt omdat je te weinig hebt opgestoken aan basisvaardigheden. Kennelijk gaat de autonomie van schoolbesturen zover dat ze met roekeloze inzet van niet onderbouwde onderwijsvisies de toekomst van kinderen in de waagschaal mogen stellen. We markeren hier niet alleen een ethische blinde vlek van de onderwijsvernieuwers, maar ook een systeemfout in ons bestel.

 

Het derde punt is dat vernieuwers vaak vooral worden gedreven door afschuw van het reguliere onderwijs, niet door de ambitie om te verbeteren. Ze vertonen een zekere verbetenheid en vallen hun collega’s die niet worden geteisterd door vernieuwingsdrang aan. We zagen zelfs dat een leerkracht die het niet zo zag zitten met de visie van haar ‘meerderen’, kortweg werd ontslagen. Dit leidt ertoe dat er onzekerheid is bij veel scholen, waar men gewoon goed onderwijs wil geven. En vooral is er veel onzekerheid bij schoolbestuurders, die bang zijn niet genoeg actueel en trendy te zijn. Het onderwijs als geheel, waar toch al 24% van de 15-jarigen onvoldoende geletterd is, loopt hierdoor averij is. En dat kunnen we er echt niet bij hebben. 

Moeten we dan stoppen met vernieuwen? Ik denk van niet, maar we moeten het gecontroleerd tot uitvoering brengen. Net zoals banken vragen om een ondernemersplan als iemand een zaakje wil beginnen met geld van de bank, moeten vernieuwers eerst een goed onderbouwd plan inclusief risicoanalyse voorleggen aan bijv. de inspectie alvorens ze aan de gang mogen. Als ze aan de gang mogen, wordt elke stap gevolgd door een strikt externe evaluatie. En anders maar even geen vernieuwing.

 

 
 

14.10.2020

WEDDEN

DAT...

Nu we beperkt zijn in onze sociale, recreatieve en culturele activiteiten, is het wel aardig om weer eens meer tijd te nemen voor ouderwetse spelletjes en reflectie op van alles en nog wat. Dat wil Leonardo graag stimuleren door drie stellingen te poneren, waar je voor of tegen mag zijn, maar in ieder geval over zou kunnen nadenken.

De eerste stelling luidt: in de komende 5 jaar zal niet alleen het schaduwonderwijs, maar ook het privéonderwijs, in omvang verdrievoudigen. 

De stelling wordt getriggerd door de slechte PISA-resultaten die we halen op leesvaardigheid en, in mindere mate, wiskunde. Te verwachten is dat steeds meer ouders een eigen weg gaan zoeken om de schoolloopbaan en de toekomst van hun kind veilig te stellen. Je moet het natuurlijk kunnen betalen. Privéonderwijs kost ruim 20.000 euro per jaar en dat is niet niks. De goed betaalde eliteouders kunnen dit wel ophoesten als ze in plaats van een SUV een ietsje bescheidener bolide kopen en tijdelijk flesjes wijn van 15 in plaats van 40 euro kopen. En een deel van de middenklasse ouders zal graag op een houtje willen bijten om in hun kind te investeren. Slachtoffers zijn natuurlijk de mensen met lage inkomens. Maar dit is niets nieuws.

De tweede stelling betreft de schoolbesturen: de positie van de schoolbesturen zal in de komende vijf jaar worden bezien en bijgesteld in de richting van veel minder autonomie.

Ligt de oorzaak van de dalende kwaliteit van ons onderwijs (zelfs minister Slob benoemt deze kwaliteitsdaling sinds kort) bij de schoolbesturen? Dit is gedeeltelijk zeker het geval. Traditioneel houden schoolbesturen zich het liefst bezig met gebouwen en met personeelsbeleid. Wat betreft de kwaliteit van het onderwijs voelen ze zich minder op hun gemak. En als het gaat om de thematiek van gelijke kansen beperken veel besturen zich tot welwillend ja knikken. Maar steeds meer wordt hun functioneren, zij het voorzichtig, geproblematiseerd. Dit gebeurt onder meer door de inspectie, het ministerie van Financiën, en bijv. in het aprilrapport van McKinsey. Dat er dus iets gaat worden gesleuteld aan de machtspositie van de schoolbesturen, is wel zeker. Of dat binnen vijf of tien jaar gebeurt, daar twijfel ik nog over.

De derde stelling gaat om de onderwijsaanpak in de scholen: in de komende vijf jaar zal directe instructie een stuk terrein winnen op andere benaderingen, zoals het gepersonaliseerd leren.

De hevige strijd om de juiste onderwijsvisie zal niet op korte termijn, en waarschijnlijk nooit helemaal, worden beslecht. Maar de stroom aan positieve evaluaties van directe instructie, die ook de inspectie inmiddels heeft bereikt, en de lawine aan negatieve evaluaties van de concurrerende benaderingen, kan niet anders dan een zeker effect hebben. De voorstanders van vernieuwende aanpakken hebben wel krachtige steun van buiten het onderwijs. Onder meer van de hoek van kunst en cultuur wordt regelmatig geroepen dat het huidige onderwijs  te ver los staat van de 21eeeuwse maatschappij. En ook sommige toekomstdenkers ondersteunen deze visie. En dan is er nog sinds vrij kort de beweging van doemdenkers die vinden dat we zoveel problemen hebben met klimaat, migratie, corona en wat meer van dit soort ellende, dat je beter helemaal niet maar naar school kunt gaan. Activisme is nu nodig. Maar ik houd het toch maar op groei van de directe instructie. 

Of deze drie stellingen worden bewaarheid, hangt natuurlijk van tal van zaken af. Hebben we over vijf jaar een kabinet Rutte vijf of zes of iets anders? Hebben we corona in bedwang en is er geen nieuw virus gearriveerd? En hebben we nog een arbeidsmarkt waar we kinderen voor opleiden?  We zullen het zien. 

 

 

23.09.2020

CORONA

MAAKT DE BLIK SCHERPER

COVID-19 zorgt voor veel ellende en ongemak. Het bracht ons een diepe en langdurige crisissituatie. Maar dit soort crisissituaties leidt gelukkig ook soms tot positieve veranderingen (ik ben elke keer dolgelukkig als ik ontkom aan zo’n Hollandse verjaardag waar iedereen in een kring CB'tjes zit te drinken). En niet zelden geeft corona een verscherpt inzicht in zaken die anders een beetje onder de deken blijven. Die komen door corona meer in de schijnwerper, en dwingen ons om daar extra goed na te denken.

Laten we hier drie koeien even bij de horens pakken.

 

Allereerst het lerarentekort. Hier lijkt corona nogal positief uit te pakken. Een baan in het onderwijs die redelijke zekerheid biedt en een goed toekomstperspectief, is duidelijk weer aantrekkelijk geworden. De gouden tijd van het ZZP-leven is wel voorbij. De onzekerheid die hiermee is gemoeid, drijft veel mensen in de richting van vastere banen. De inschrijvingen op de pabo’s zijn dit jaar al met 7% gestegen, waarschijnlijk een eerste coronaeffect. Dat vraagt wel van ons dat we nu eens heel erg goed naar de kwaliteit van de opleidingen gaan kijken. Die kwaliteit kan en moet beter en de opleidingen doen er goed aan de inbreng van de wetenschap serieus nemen. Dat er bijvoorbeeld nog pabo’s zijn die het hebben over leerstijlen, een begrip dat wetenschappelijk al lang is begraven, kan toch echt niet.

 

De perikelen rond corona lieten ook zien dat de kracht van de belangenvertegenwoordiger per sector of onderdeel van een sector erg verschilt. Zo hadden de ziekenhuizen hun zaakjes goed voor elkaar. De verpleegtehuizen hadden het nakijken. In normale tijden kunnen dit soort uiteenlopende krachtverhoudingen al erg schadelijk zijn voor de zwakkeren, maar als er schaarse middelen moeten worden verdeeld, kan het een kwestie van leven en dood zijn. Had de onderwijssector zijn zaakjes goed geregeld? Ik zou zeggen niet echt zwak, maar ook niet overtuigend. De versplintering in belangengroepen zoals besturen, schoolleiders en leerkrachten draagt niet bij aan een krachtig optreden. En het ministerie van OCW lijkt weinig in de melk te brokkelen te hebben binnen het kabinet. Wel werd er een paar honderd miljoen vrijgemaakt om achterstanden in taal en rekenen goed te maken, maar verder kwamen we niet. 

 

Het beleid rond die ‘inhaalgelden’ roept op zich weer vragen op over de beleidsvoering in het onderwijs. Ze zijn bedoeld om achterstanden in taal en rekenen goed te maken, maar schoolbesturen/scholen mogen ze naar believen inzetten. En op de sociale media werd duidelijk dat lang niet alle scholen ze gebruiken voor taal en rekenen. Er zijn nogal wat scholen die dat maar onzin vinden en die meer belang hechten aan het aanbieden van leuke activiteiten aan de kinderen. De indruk bestaat dat dit een minderheid is, maar ze zijn er nadrukkelijk wel. Het is toch uitgesproken zwak beleid als je belastinggeld beschikbaar stelt voor een bepaald doel en vervolgens de boel laat wapperen. En klaag er dan ook niet over als ouders schaduwonderwijs gaan inkopen waar de kinderen wel gericht taal en rekenen leren. Zo verzwak je het onderwijs voor iedereen en werk je de groei van commerciële alternatieven voor de kinderen van welgestelden (nu jaarlijks bijna 170 miljoen en op weg naar meer) in de hand. Of Is dat juist de bedoeling?

 

 

15.04.2020

2020?

1500!

We zitten inmiddels op een vijfde van de 21e eeuw en plotseling is de toekomst heel wat onzekerder geworden. Hoe het verder gaat na Corona met ons leven, met de gezondheid, het werk, het onderwijs en niet te vergeten de sociale contacten, we weten het niet. En hoe gaat het verder met de 21e-eeuwse vaardigheden? Zijn ‘leven volgens de nieuwste wetenschappelijke inzichten’ en ‘discipline om jezelf zinvol bezig te houden’ nieuwe vaardigheden voor deze eeuw? Ik weet het niet. Maar de wijze neuzen van SLO, Kennisnet en aanverwanten, die altijd precies weten wat nodig is in de 21e eeuw zullen ons ongetwijfeld straks vertellen wat nodig is. Ik denk wel dat zij vasthouden aan vaardigheden als samenwerken, kritisch denken en creativiteit als typische benodigdheden voor onze toekomst. De kritiek van psychologen als Kirschner, De Bruyckere en nu ook een autoriteit als David Willingham glijdt langs hen af als druppeltjes langs een mondkapje.

Maar daar wil ik het niet over hebben. Ik wil eens nagaan of die 21e-eeuwse vaardigheden iets nieuws zijn, specifiek voor deze eeuw. Ter vergelijk koos ik vrij willekeurig het jaar 1500. Zo maar, een rond getal en lang genoeg geleden. Hoe zat het toen bijv. met samenwerken?

In 1500 was het transport iets minder geavanceerd dan nu. Je reisde bijvoorbeeld met paard en kar en dan kwam je nog wel eens vast te zitten in de modder. En dan had je hulp nodig van de boer verderop of een paar sterke mannen en vrouwen uit de buurt. Samenwerken. In 2020 bel je de ANWB als je vast zit met de auto en klaar is kees. Nederland was overigens in die tijd al beroemd om zijn stipte vervoer. Dat kwam door de jaagpaden waar boten werden voortgetrokken door lokale helpers. Het ging langzaam maar op tijd. Samenwerking hoor. Niet te verbeteren in de 21e eeuw.

 

Dan het kritisch denken, bijv. het detecteren van fake nieuws. Tegenwoordig is het moeilijk om met je academische opleiding de juiste viroloog te selecteren voor je info-voorziening, of uit te zoeken of een filmpje al dan niet is gemanipuleerd. Twitteraars herkennen dit probleem. Maar hoe moest je in 1500 als koopman of als ongeletterde boer bepalen of een gerucht dat in de stad rondging nu waar was of niet? Is er een paar jaar geleden echt een nieuw continent ontdekt door Amerigo Vespucci? Is Franeker nu ontzet of ingenomen door Albrecht. En wat is er in Italië gebeurd waar de Fransen in Milaan huishouden. En wat betekent dat voor mijn handel en wandel? Dat was andere koek dan even goed op internet kijken wie wel of niet betrouwbaar is. 

En dan nog even creativiteit? Daar moeten we echt wat aan doen in de 21e eeuw. Want wie hadden we in 1500? Even een paar namen; Leonardo da Vinci (ja, die), Michelangelo, Botticelli. Hé, ik vergeet Rafaël. En nog Filips de Schone en Luther voor het evenwicht. Wij hebben nu natuurlijk Youp van 't Hek en Frans Timmermans, en niet te vergeten Jeff Koons, maar toch. Muziek is iets lastiger te traceren omdat er nog geen Spotify was. Maar luister op Spotify of elders even naar de gereconstrueerde ‘Laudatio di Cortona’ en je bent gelijk genezen van de ‘Voice’. Graag een uitdaging om de gelijkwaardigheid of superioriteit van 21e-eeuwse creatievelingen hier tegenaan te gooien. 

I rest my case, zeggen de Angelsaksen. En Leonardo wenst jullie ondanks alles een gezonde, welvarende en gewoon fijne rest van de eeuw. 

 

 

25.03.2020

WAAROM WORDT ER NIETS GEDAAN

AAN DE PROBLEMEN IN HET ONDERWIJS?

Het is onrustig in het onderwijs. De kwaliteit daalt op belangrijke punten. De ongelijkheid neemt toe. De werkdruk is nog steeds hoog. Er is een tekort aan leerkrachten. De frustraties binnen de sector zijn groot. En toch zien we nauwelijks pogingen om hier beleidsmatig iets aan te doen. Hoe komt dat? Laten we even vier mogelijke verklaringen van dit fenomeen doornemen.

 

1. Een coalitieongelukje

Volgens parlementaire journalisten ging het mis voor het onderwijs toen de vier coalitiepartijen hun financiële claims voor de rest van 2020 mochten indienen. Iedereen dacht dat D66 wel geld voor het onderwijs zou vragen. D66 dacht dat een van de anderen dit deze keer wel zou doen. Zo lag er geen claim voor extra geld voor onderwijs op tafel en gingen alle leuke dingen naar andere sectoren. Kennelijk werkte de slimme procedure toch niet echt goed.

2. De relatie Rijk–Schoolbesturen

Nu de landelijke overheid zich voor een groot deel heeft teruggetrokken uit het bestuur van het onderwijs, zijn schoolbesturen vrij hun middelen te besteden zoals ze zelf willen. Dus ook als het Rijk geld geeft voor bijv. verlaging van de werkdruk, zijn schoolbesturen vrij dat geld aan andere zaken te besteden. Ze kunnen hun eigen salaris ophogen, de school verbouwen, een feestje geven, wat ze maar willen. Dit stimuleert de landelijke overheid niet bepaald om geldstromen richting onderwijs te laten lopen. Diverse commentatoren hebben dit punt inmiddels naar voren gebracht.

Ook als 1 en 2 waar zijn, blijft het toch merkwaardig dat de regering dit dan zo maar laat. Je zou toch verwachten dat zo’n foutje als onder 1 goed is te corrigeren. En bij 2 kun je er aan denken de bestuurlijke relaties rond het onderwijs snel te herijken. 

 

3. Men weet niet hoe de problemen op te lossen

Problemen oplossen is geen sterk punt in het huidige onderwijsstelsel. Als de leesprestaties drastisch dalen komt er geen beter idee op tafel dan het aankondigen van een vaag en onbestemd leesoffensief. En de problemen met de werkdruk worden niet aangepakt met een goede analyse van waarom deze hoog is en hoe die kan worden verlaagd, maar door her en der wat geld rond te strooien, bij voorkeur naar de grote steden. Die hebben immers de sterkste lobby. Als je niet weet hoe problemen op te lossen, leun je dus maar achterover en hoopt dat ze een keertje vanzelf weggaan. Zou kunnen, natuurlijk. 

 

4. Het onderwijs wordt niet erg belangrijk geacht in het huidige politieke stelsel

Zelfs een oproep van de werkgevers om iets te doen aan de problemen in het onderwijs – normaal toch een sterk pressiemiddel – heeft tot nu toe niet tot enige actie geleid. De stakingen hielpen ook niet. De vraag is of men in het politieke veld enig gewicht toekent aan de problemen in het onderwijs. Onze politici zijn natuurlijk allemaal hoogopgeleide praters, ongeacht tot welke politieke partij ze behoren. Ze behoren tot een elite, die de juf van de basisschool met het nodige dedain beziet en bespreekt. Als de juf niet weet wat de hoofdstad van Bolivia is of wie Karel de Vijfde ook weer was, zal Kyan of Zoë niet nalaten dit thuis te melden. En pa en ma (of wie toevallig voor de opvoeding aansprakelijk is) zal denken: we regelen wel wat extra lessen buiten de school. Buiten de elite speelt dit niet zo, maar ja, de politiek wordt niet eens meer voor een klein deel gemaakt door mensen zonder academische opleiding. 

 

Leonardo weet ook niet hoe sterk de genoemde factoren werken en of hij er nog heeft gemist. Veel hoop op maatregelen om het onderwijs onder de armen te grijpen, kan hij hier niet uit destilleren. Maar het kan meevallen, je weet maar nooit, mensen. 

 

 

25.02.2020

HOE

KRIJGEN WE ONS ONDERWIJS BETER?

De resultaten van PISA dreunen nog een beetje na. Bij deze internationale vergelijking scoorden de Nederlandse kinderen vooral slecht op lezen. Maar eigenlijk was ook wiskunde nogal zwak, met name voor kinderen in achterstandssituaties. Winst is dat dit keer wordt erkend dat we een probleem hebben met de kwaliteit van ons onderwijs. Tot nu werd de ingezette dalende lijn met allerlei, veelal kulargumenten, weggewoven. Zo werd het zakken op de ranglijst onder meer goedgepraat met als argument dat er enkele nieuwe landen meededen die hoog scoorden. Kom eens met zo’n verhaal als een hardloopster die eerder goud won, nu 5ewordt. Komt door een paar nieuwe deelneemsters mensen, niets aan de hand. Het verbaasde me altijd dat vooral onderzoekers allerlei spitsvondigheden bedachten om de kwaliteitsdaling te ontkennen. Het is maar hoe je je intelligentie wil gebruiken. 

 

Maar goed, we erkennen nu dat we een probleem hebben met de kwaliteit van ons onderwijs. De vraag is waar en hoe we dit moeten aanpakken. Moeten we bijvoorbeeld meer innoveren? Tot nu toe is er weinig hoop te putten uit de resultaten van onderwijsvernieuwingen. Buiten de traditionele vernieuwingsscholen, die een uitgekiende aanpak hebben ontwikkeld, gebaseerd op onderzoek en jarenlange ervaring, is er niet zoveel goed nieuws uit de innovatie-wereld te melden. Dat geldt voor Nederland, maar ook internationaal. De innovatieve fratsen van de laatste tijd, die soms zo populair zijn bij trendy schoolbestuurders en -directeuren, blijken weinig op te leveren.

 

Bieden andere aanbieders van onderwijs dan de scholen dan misschien perspectief? Denk aan de ouders, die toch heel veel tijd met hun kinderen doorbrengen. Maar thuisonderwijs als alternatief voor een onderwijsstelsel is geen optie. En een aanvulling op de school via thuisprogramma’s, tot nu toe vooral toegepast in gezinnen met een lagere opleiding en een laag inkomen, is nog een vrij onontgonnen terrein met zeer beperkte opbrengsten. Schaduw-onderwijs zoals extra bijlessen kan een beetje helpen om de onderwijsloopbanen van leerlingen te versterken, maar het is duidelijk geen alternatief voor de school.

Willen we het onderwijs verbeteren, moeten we dus toch vooral in en met de scholen aan het werk. Maar dan komen we terecht in een maalstroom van verschillende opvattingen, voorkeuren en visies op onderwijs. Is het wellicht handig te kijken waar welk land het in Europa bijv. wel goed doet. Dan komen we tot onze verbazing terecht in het arme Estland, dat nu in de top zit. 

Van Outeren noemt een paar kenmerken van het Estse onderwijs in de NRC van 6 februari. Het is nogal traditioneel, klassikaal en gericht op feitenkennis. Men is niet meegegaan met het ontdekkende leren van de buurlanden, die nu wegzakken in de PISA-onderzoeken. Traditie, discipline, structuur, eenvormigheid, en heel veel vertrouwen, daar werken ze in Estland mee. Weinig toetsen, niet meer dan gemiddeld 24 uur per week les, en slechts drie eindexamenvakken, namelijk wiskunde, Ests en een vreemde taal naar keuze. Niemand blijft zitten, wie achterblijft krijgt extra begeleiding. 

Wie denkt dat deze aanpak van onderwijs misschien goed is om hoog te scoren in een internationale vergelijking, maar niet om een moderne economie op poten te zetten, moet eens naar de economische ontwikkeling van Estland kijken. Ook hier is het land een van de grootste groeiers in Europa.

Moeten we nu het Estse systeem overnemen? Neen, kritische lezer, dat is niet de strekking van dit verhaal. Maar het zou wel moeten aanzetten om eens na te denken over hoe we ons onderwijs inrichten, en dat we niet te snel de oude schoenen buiten de deur moeten zetten. 

Leonardo verwacht overigens niet dat er echt actie gaat worden ondernomen om de kwaliteitsdaling in ons onderwijs tegen te gaan. Het is wachten op een nieuw kabinet, en een volgende internationale vergelijking waar we weer verder dalen. En dan... nee, waarschijnlijk is het dan ook nog te vroeg voor echte actie.

 

Wachten dus maar, tot…? 

 

 

29.01.2020

TWITTER

EN HET ONDERWIJS

Twitter is een merkwaardig fenomeen. Je kunt er een boodschap ofwel tweet kwijt van maximaal 280 tekens. Je kunt zelf een aantal mensen volgen die een dergelijke boodschap plaatsen. Men kan ook jouw boodschappen gaan volgen, zodat je in de loop der tijd een kleine of grotere aanhang kunt opbouwen. En je kunt antwoorden op tweets van anderen of reacties krijgen op eigen tweets. Doorgeven van een boodschap, al dan niet met eigen commentaar is een optie, en belangrijke tweets kun je opslaan om later nog eens te bekijken. 

De inhouden van de Twitter-boodschappen loopt nogal uiteen. Er wordt in het weekend of tijdens bijv. champions league wedstrijden veel getwitterd over voetbal. Jinek, The Voice en de Mol worden stevig gerecenseerd. Grappig is dat je doorlopend op de hoogte wordt gehouden van het verloop van sportwedstrijden, dat je filmpjes kunt zien van mooie momenten zoals een fraai doelpunt en dat elke domme opmerking van een deelnemer aan een talkshow meteen wordt uitvergroot. 

Het niveau van Twitter is soms niet erg verheffend. Vooral als het om politieke issues gaat, ontaardt het getwitter veelal in nogal ordinaire scheldpartijen. Van Thierry Baudet en Frans Timmermans kunnen nogal wat twitteraars het bloed wel drinken. En ook Mark Rutte krijgt er flink van langs. Maar dat is slechts één kant van Twitter. Aan de andere kant kan Twitter ook een rijke bron van informatie voor je zijn, over je favoriete muziek, literatuur, sport, en ja, ook over het onderwijs.

Hoe zit dat dan? Wel, onder de twitteraars kom je een verrassend grote expertise op het gebied van onderwijs tegen. Een aantal onderwijswetenschappers twittert veelvuldig, en geeft veel informatie over bijv. toetsen of gelijke kansen beleid. Diverse goed geïnformeerde onderwijsjournalisten kom je tegen. Parlementariërs met onderwijs in hun portefeuille manifesteren zich van rechts tot links. Natuurlijk kom je ook beleidsmakers zoals Arie Slob tegen, maar die zijn doorgaans wel erg voorzichtig met hun tweets en dus niet zo heel interessant. Een aantal leerkrachten die verbonden zijn aan ‘PO in actie’ maken gebruik van het medium, en er zijn ook heel wat leerkrachten die uitleggen hoe ze hun onderwijs geven en wat ze daarbij tegenkomen. Verder is er bijv. een statisticus van het CBS die op basis van Statline, waar je zelf moeilijk in kunt werken, mooie kant- en klare tabellen aanlevert. En laat ik niet vergeten de actieve twitteraar Tom Bennet te noemen, de initiator van de zeer succesvolle researchED bijeenkomsten. 

Zo kun je met een beetje ervaring en handigheid heel veel actuele en relevante informatie over alle aspecten van het onderwijs via twitter verkrijgen, waar je anders moeizaam allerlei websites voor moet aflopen. Nieuwtjes, onderzoek, nieuwe ideeën, petities, aankondigingen van stakingen, benoemingen, schandaaltjes, je hoeft het allemaal niet te missen. 

Een ambitie moet je niet hebben als je Twitter gaat gebruiken. Dat betreft het aangaan van een discussie over een onderwerp dat je bezighoudt. Twitter is er voor informatie en voor het elkaar verketteren, niet om te debatteren. Of dat verketteren specifiek is voor Twitter of meer een algemeen verschijnsel, is natuurlijk de vraag. Maar het is wel jammer dat discussie en debat te onder lijken te gaan, terwijl elkaar uitschelden de nieuwe norm lijkt te worden. 

 

 

09.01.2020

DE BESTE WENSEN

VAN LEONARDO

Wij – de mensen van Vinci en Leonardo – willen de gelegenheid niet voorbij laten gaan om de betrokkenen bij ons onderwijs het allerbeste te wensen voor 2020. We doen dit natuurlijk wel specifiek, met geannoteerde wensen. 

 

Voor de leerkrachten:

Jullie hadden het niet makkelijk afgelopen jaar. Altijd kinderen met allerlei complicaties, lastige ouders, gezeur vanuit het beleid of het bestuur. En steeds minder collega’s. En het gevoel te weinig gewaardeerd te worden: te weinig beloning, te veel kinderen, te hoge werkdruk. Misschien wordt een van jullie ergste frustraties vaak niet eens benoemd. Dat is dat bijna iedereen denkt het beter te weten dan de leerkracht. De meisjes op het ministerie, met hun mooie academische opleiding, die nog nooit voor de klas hebben gestaan. De schoolbestuurders, die vanuit afstand allerlei regeltjes voor jullie bedenken. De ouders, die precies weten wat wel en niet goed is voor hun koters. Dat is natuurlijk om als professional gek van te worden. Een klein advies van Leonardo. Lees een goed vaktijdschrift zoals Didaktief en af en toe een zinnig boek over onderwijs, bijv. van Marcel Schmeijer, Pedro de Bruyckere of Eva Naaijkens. Dat kun je de discussie met die betweters binnen de kortste keren aan. We wensen jullie ook wat dit betreft een professioneel 2020.

 

Voor de schoolbestuurders:

Jullie hebben het voor elkaar. De overheden hebben veel van hun verantwoordelijkheden aan jullie overgedragen, dus jullie hebben heel veel autonomie. Jullie doen ook fantastisch werk, vooral wat betreft huisvesting en personeelsbeleid. Dat doen jullie heel knap. Onderwijsinhoudelijke kwesties vinden jullie soms minder spannend. En sommigen van jullie zoeken, wat Leonardo betreft, al te makkelijk trendy nieuwigheden op. Maar niet gesomberd. Voor 2020 hebben jullie dankzij de Pisa onderzoeken een prachtige uitdaging gekregen. Je kan niet anders dan het gevecht aangaan om het leesonderwijs in je scholen drastisch te verbeteren. Een kwart van de leerlingen die bijna ongeletterd de school verlaten, dat is echt heftig. We wensen jullie alle sterkte en succes bij het aanpakken van  dit maatschappelijk drama. En als je daar resultaat mee hebt, is Nederland minstens voor drie eeuwen zijn schoolbestuurders onvoorwaardelijk dankbaar. 

Voor de onderwijsonderzoekers:
Jullie zijn vaak roependen in de woestijn. Je weet wel veel en je hebt veel te vertellen. Maar binnen het onderwijs wordt er nog steeds weinig naar je geluisterd. Dat is echt ten onrechte. De kwaliteit van jullie onderzoek is de laatste tijd enorm verbeterd. En steeds meer van jullie weten ook op begrijpelijke wijze op te schrijven of te vertellen wat je hebben. Maar het is niet genoeg. Waar geen arts het in zijn hoofd haalt om wetenschappelijke kennis naast zich neer te leggen en bijvoorbeeld nog met bloedzuigers te werken, waar elke monteur en loodgieter evidence informed aan de slag gaan, waar zelfs beleidsmakers bestuurskundige inzichten gebruiken, laat jullie doelgroep de wetenschap nog vaak links liggen. Leonardo zal jullie naar vermogen steunen bij je pogingen je werk onder de onderwijsmensen te brengen. En als je daar vooruitgang in boekt, zal hij niet aarzelen de loftrompet te doen schallen.  

 

 

03.12.2019

DE GEZEGENDEN, 

DE DOODGEWOONTJES EN DE HAZEN

Jullie raden het al. Deze blog gaat over de jeugd van tegenwoordig. Daar moeten we eens goed naar kijken, want er is wel iets bijzonders aan de hand met de huidige jongeren. Opmerkelijk veel jongeren leveren prestaties die vijftien of twintig jaar geleden voor onmogelijk werden gehouden en in de samenleving van toen ook wel onmogelijk waren. We zien jongeren bedrijven oprichten die zo succesvol zijn dat ze deze na een paar jaar voor miljoenen kunnen verkopen. Ze zitten dan alleen nog met het probleem wat ze de rest van hun leven moeten doen. We zien jongeren uitvindingen doen, waardoor problemen worden opgelost, waar grote bedrijven en universiteiten niets voor wisten te verzinnen. En in 1950 was het heel bijzonder dat David Bronstein schaakgrootmeester werd toen hij pas jaar 26 was. Maar dit jaar werd Tamil jongen Dommaraju Gukesh grootmeester op de leeftijd van 12 jaar en 6 maanden. 

Waar deze doorbraak van jongeren naar de top vandaan komt, dat weten we niet. Er is natuurlijk wel meer aandacht voor talentontwikkeling tegenwoordig. En de wereld staat meer open voor jongeren die iets willen. Maar dat zijn niet echt bevredigende verklaringen. In ieder geval kunnen we verwachten dat er steeds meer jongeren zijn die van zich doen spreken door buitengewone prestaties. Zij zijn de gezegenden in de huidige maatschappij; voor hen zijn er geen grenzen. Ze hebben geen school nodig, zij leren zelf wel op gepersonaliseerde wijze. De wereld is van hen; de roem, het geld, en alles wat daarbij hoort. 

Maar hoe zit het met de groep jongeren met minder opzienbarende kwaliteiten? De grote groep gemiddeld bedeelden? Dat zijn de jongeren die niet een of twee bijzondere talenten kregen toebedeeld, maar van alles een beetje. Die werken in de verpleging of het onderwijs, worden tegelzetter of columnist. Hen wacht vooral veel werkdruk tegen een waarschijnlijk steeds lagere beloning en beperkte maatschappelijke waardering. Zij hebben de school nodig om een diploma te halen, maar dat is geen garantie voor een onbezorgde toekomst. 

En dan zijn er nog de haasjes. Die ontleen ik aan de uitdrukking ‘het haasje zijn’. Zij hadden slechts de beschikking over beperkte mogelijkheden en zijn veroordeeld tot de onderkant van de samenleving. Ze doen restwerk dat niemand verder wil doen, betalen het merendeel van hun inkomsten aan huur, verwarming, belasting en kijkgeld en zijn blij als ze nog iets overhouden zodat de kinderen op schoolreisje kunnen. Maatschappelijke waardering is hen slechts mondjesmaat gegund. Het onderwijs heeft hen weinig opgeleverd. Sociologen noemen hen tegenwoordig het precariaat, dat zich kenmerkt door kortdurende banen, lage inkomens, moeilijke relaties, weinig sociale zekerheid en het ontbreken van een politieke stem.

Wat moeten we met deze driedeling? Misschien kunnen we toch een beetje beleid gaan voeren om iedereen met of zonder talent bij de samenleving te houden. Misschien moeten we grenzen stellen aan de groeiende ongelijkheid. Misschien moeten we maar doen of onze neus bloedt en hopen dat alles zich vanzelf schikt. Zeg het maar.

 

 

11.11.2019

DE HUISHOUDSCHOOL

EN ZO

Allereerst mijn excuses aan de wat oudere feministen, bij wie het bloed naar een kookpunt kan stijgen bij het lezen van deze titel. Ik weet het, de huishoudschool, die de eerdere kookschool verving, was een specifieke beroepsopleiding die meisjes moest voorbereiden op het werken als dienstmaagd of als huisvrouw. En dat paste niet in een tijd waar strijd om de emancipatie van de vrouw met alle felheid moest worden gevoerd. Maar de huishoudschool werd onder meer door jullie wel erg genadeloos en deels onterecht afgemaakt. De ‘Spinazie Academie’ werd ze genoemd en er was niet veel goeds aan. Ruud Meijer, een cultuurhistoricus die in 2012 een poging deed de huishoudschool te rehabiliteren ('Beroep huisvrouw', Hilversum 2012), maakt zelfs melding van vrouwen die zich er zo voor schamen dat ze de huishoudschool hebben gevolgd, dat ze maar zeggen MAVO te hebben gedaan. 

De huishoudschool werd de grond ingeboord om drie redenen. De eerste is dat het een meisjesschool was. Merkwaardig genoeg werd de mannelijke tegenhanger, de ambachtsschool, veel meer ontzien, maar die had dan ook toen al een hoog RTL7-gehalte. De tweede is de elitaire minachting voor kinderen en vooral meisjes uit de wat lagere sociale milieus, die bijv. meer hielden van de opkomende popmuziek dan van Bach en Beethoven. De derde is het praktische karakter van het curriculum. Het onderwijs werd vanaf de jaren '70 steeds algemener. Praktische vakken moesten weg. De Rotterdamse hoogleraar Han Leune verwoordde het perfect ‘Koken kun je thuis leren, Frans niet’. Helemaal eerlijk tegenover de huishoudscholen was dit zeker niet. Want meisjes leerden hier in een latere fase niet meer alleen koken en naaien, maar kregen ook Nederlands en rekenen, moderne vreemde talen, en maatschappelijke vorming (de tegenwoordig weer zo bewierookte burgerschapsvorming). 

De Mammoetwet van 1986 maakte hoe dan ook een einde aan schoolsoorten als de huishoudschool, die als relict van een foute historie in het massagraf van onderwijsvormen werden gemikt. 

Waarom deze aandacht voor de huishoudschool? Nou, niet omdat seksespecifiek onderwijs weer aan de orde is. Ook niet omdat er minder sprake is van elitaire minachting voor de cultuurvoorkeuren van de ‘normale Nederlander’. Maar vooral omdat de behoefte aan praktijkgericht onderwijs zich weer doet voelen. In 'De Staat van de Leerling 2017', een onderzoek van de Inspectie, geeft 79% van de leerlingen aan dat ze graag vaardigheden willen leren. En in een onderzoek van de Academische Werkplaats Maastricht komt (zij het bescheiden) belangstelling bij de leerlingen naar voren voor techniek en koken of bakken. Dit laatste grappig genoeg weer vooral bij meisjes. 

 

Leune had destijds natuurlijk wel gelijk dat je koken thuis kunt leren en Frans niet. Maar kennelijk is dat vaak niet meer zo. Als de ouders koken via de magnetron, maar de kinderen het echte koken willen leren, moeten ze daar les in krijgen. Hetzelfde geldt voor praktische vaardigheden als het wisselen van fietsbanden, het korter maken van broek of jurk, het in elkaar timmeren van een aan huis bezorgd kastje, of het bijstellen van de kleuren op je tv-scherm. Dat wordt thuis niet geleerd, en op school ook niet meer. 

Of dit alles een plaats in het onderwijs moet krijgen, is natuurlijk de vraag. Maar de behoefte bij leerlingen om dit soort vaardigheden ergens op te kunnen doen, is duidelijk weer terug. Toch maar een plekje in het curriculum geven?

 

 

21.10.2019

WIE IS VERANTWOORDELIJK

VOOR HET ONDERWIJS VAN ONZE KINDEREN?

Het is wel duidelijk dat ons onderwijs momenteel de nodige problemen kent. We dalen geleidelijk aan op internationale ranglijsten. We schieten niet op met het bieden van gelijke kansen aan kinderen, hoe hard de politiek ook beweert dat dit een zeer belangrijke doelstelling is. We worstelen met een tekort aan leerkrachten, dat voorlopig alleen maar lijkt toe te nemen. En er is een reëel gevaar dat de invloed van edtech bedrijven steeds meer overheersend gaat worden. De gerenommeerde onderwijsonderzoeker Ben Williamson stelde onlangs in een blog dat deze bedrijven onder meer een prachtig verdienmodel hebben gevonden in het ‘sociaal emotioneel leren’. 

Van wie mogen we actie verwachten om deze problemen aan te pakken en op zijn minst een poging te doen orde op zaken te stellen? Wie voelt zich hiervoor verantwoordelijk? Laten we de positie van de belangrijkste gegadigden eens bezien.

De school. Scholen spelen natuurlijk een belangrijk rol bij het onderwijs aan onze kinderen. Je mag in ieder geval verwachten dat ze kiezen voor een verantwoorde en onderbouwde onderwijsaanpak. Als een school kiest voor gepersonaliseerd leren of 21eeeuwse vaardigheden mag ze worden aangesproken als dit slechte resultaten oplevert. Maar op veel punten is de school machteloos. Ze moet werken met een toegekend budget, heeft weinig mogelijkheden om bijv. het lerarentekort aan te pakken, en staat vrij machteloos tegen de groeiende invloed van edtech bedrijven.

Het schoolbestuur. Schoolbesturen hebben de laatste decennia een enorme autonomie bevochten en dus gekregen. Ze mogen zo ongeveer doen wat ze willen, al probeert de inspectie af en toe moeizaam grenzen te trekken. Schoolbesturen mogen ook zelf bepalen waar ze het bedrag dat ze van overheid en dus belastingbetaler ontvangen aan uitgeven. Maar de hoogte van dat bedrag bepalen ze niet zelf. En van inhoudelijke onderwijskwesties hebben schoolbestuurders vaak weinig verstand. Ze hebben het druk met personeelsbeleid en financiën en gaan wat betreft onderwijsinhoud graag mee met de grote stroom, de mode van het moment. 

 

De gemeente. Hier kunnen we kort zijn. De positie van de gemeente is de laatste jaren alleen maar verzwakt. Ze gaat alleen nog over voorschoolse educatie en enkele aanhangsels daarvan. Wil ze verder onderwijsbeleid voeren, dan moet ze hopen op goed overleg met andere partners en de beurs trekken voor van alles en nog wat. Waar ze in andere sectoren instellingen nog wel kan aansturen, stuit ze in het onderwijs op de onaantastbare positie van de schoolbesturen.

De rijksoverheid heeft zich de afgelopen tijd steeds verder teruggetrokken op enkele stellingen die vooral politiek gemotiveerd zijn. Ze probeert het thema burgerschap op te waarderen, spreekt mooie woorden over gelijke kansen, en ondersteunt mondjesmaat ontwikkelingen die zich los van haar beleid voltrekken, zoals de vorming van IKC’s. Omdat ze zelfs geen greep heeft op de besteding van extra gelden die ze voor een bepaald doel aan de schoolbesturen ter beschikking stelt, houdt ze de beurs voor het onderwijs zoveel mogelijk dicht. Het is dus ook niet verbazingwekkend (maar wel erg triest) dat het onderwijs buiten de boot viel bij de begroting 2020.

 

De vraag wie verantwoordelijk is, of verantwoordelijkheid neemt, voor het onderwijs aan onze kinderen kent dus een duidelijk maar ook onbevredigend antwoord. Iedereen een beetje wel en iedereen heel erg niet. 

Dat ouders in die situatie zelf initiatief nemen om via schaduwonderwijs of pressie op scholen de toekomstkansen van hun eigen kinderen te verbeteren, is eigenlijk niet vreemd. Dat ze daardoor bijdragen aan een grotere kansenongelijkheid in de samenleving, dat klopt. Maar is het vreemd dat ze zelf verantwoordelijkheid nemen voor het onderwijs aan hun eigen kind, als niemand anders dat doet.